
In Nederland bestaat de Byzantijnse liturgie sinds ongeveer de Gouden Eeuw (16e eeuw), als onderdeel van de Orthodoxe Kerk. Er is dan een Griekse kerk in Amsterdam, voor de kooplieden.
In 1816 streek Anna Pavlovna neer in Den Haag, als echtgenote van koning Willem II. Zij bracht haar eigen Russische priester mee en de Orthodoxe hofkerk.
In de vorige eeuw kwamen in diverse golven oosters-orthodoxe immigranten naar Nederland: na de Russische Revolutie in 1917, in de Tweede Wereldoorlog, en na de Val van de Muur in 1989. Deze mensen vormden de huidige oosters-orthodoxe parochies in Nederland, alle van de Byzantijnse traditie.
Binnen Nederlandse katholieke kringen kwam de Byzantijnse liturgie voorzichtig op vanaf de jaren ’20. Er ontstond toen een grotere gevoeligheid voor het oosters christendom. Men ontdekte dat niet alleen de romeinse liturgie katholiek is, maar dat dat ook geldt voor de oosterse ritussen. Her en der vonden toen Byzantijns katholieke vieringen plaats. Dat kwam in een stroomversnelling na de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse dwangarbeiders kwamen terug met vrouwen uit Rusland en de Oekraiëne. Zij wilden graag de Byzantijnse diensten blijven vieren en maakten ook anderen daarvoor enthousiast.